Bij Rheden voel je het meteen in je benen. Het pad loopt op, zakt weer weg en klimt verder tussen bosranden en heide. Even later zie je hetzelfde rond Epe, Garderen, Ermelo, Otterlo of Kootwijk. De Veluwe oogt nergens als één vlak zandplateau. Het is een landschap van ruggen, flauwe hellingen en dalen. Precies dat reliëf maakt de streek zo herkenbaar.
Onder die vorm schuilt een oud verhaal. De heuvels van de Veluwe zijn voor een groot deel ontstaan door stuwwallen: opgestuwde ruggen van zand, grind en klei die hier al lagen voordat het landijs ze omhoogdrukte. Ze vormen nog altijd de basis van het landschap.
Hoe de stuwwallen op de Veluwe ontstonden
De oorsprong ligt in het Saalien, de voorlaatste ijstijd, grofweg 150.000 jaar geleden. Vanuit het noorden schoof landijs deze kant op. Dat ijs bedekte de Veluwe niet simpelweg als een deken. Aan de randen werkte het als een enorme duwende massa. Bestaande lagen in de bodem werden opgestuwd tot lange heuvelruggen.
Daar zit ook het verschil met morenes. Bij morenes gaat het om materiaal dat een gletsjer meevoert en ergens achterlaat. De stuwwallen op de Veluwe bestaan vooral uit grond die hier al aanwezig was en door de druk van het ijs omhoog en opzij is geduwd.
Wie nu over de Veluwe trekt, kijkt dus naar een landschap dat niet is opgebouwd uit losse heuveltjes, maar uit een stelsel van oude ruggen. Die liggen niet overal even scherp in het terrein, maar ze bepalen wel de grote lijnen.
Geen enkele rug, maar een heel stelsel
Vaak wordt over de Veluwe gesproken alsof het één grote verheffing is. In werkelijkheid gaat het om meerdere stuwwallen die samen het gebied vormgeven. Vooral de Oost-Veluwestuwwal springt eruit. Die loopt grofweg langs de oostkant van de Veluwe, van de omgeving van Hattem naar Rheden, en geldt als de grootste stuwwal van Nederland.
Dat verklaart ook waarom het landschap tussen plaatsen als Epe, Apeldoorn en Rheden zo duidelijk van vorm verandert. Je ziet geen abrupte bergen, maar lange lijnen in het land. Een fietser merkt dat aan de gestage klim. Een wandelaar ziet het aan paden die steeds net omhoog of omlaag lopen.
Het hoogste punt van de Veluwe ligt bij Signaal Imbosch, in de buurt van Rheden, op 110 meter boven NAP. Voor Nederlandse begrippen is dat veel. Het is ook de reden dat dit deel van Gelderland anders aanvoelt dan veel andere streken.
Na de ijstijd bleef het landschap schuiven
Met het verdwijnen van het landijs was het werk niet klaar. In de koude periode daarna, het Weichselien, kreeg de Veluwe opnieuw een ander gezicht. Smeltwater zocht zijn weg langs de hellingen en sleet dalen uit. Wind blies zand over het terrein en legde dekzanden neer.
Daardoor werd het reliëf minder strak en juist gevarieerder. De grote ruggen bleven, maar ertussen ontstonden dalen, laagtes en overgangen die je nu nog terugziet in het landschap. Veel beekdalen aan de randen van de Veluwe hangen samen met die opbouw van hoog en laag.
Later raakte het gebied op veel plekken bebost. Op andere plaatsen verdween bos juist weer door houtkap, begrazing en intensief gebruik van de heide. Zo konden zandverstuivingen ontstaan. Dat open karakter hoort nog steeds bij delen van de Veluwe, vooral waar heide en stuifzand elkaar raken.
Vanaf het einde van de negentiende eeuw zijn op grote schaal bomen geplant om het stuivende zand vast te leggen. Daardoor veranderde het beeld opnieuw. Veel naaldbossen die nu vanzelfsprekend lijken, zijn dus onderdeel van een vrij recente ingreep in een veel ouder landschap.
Waarom de Veluwe zo heuvelachtig oogt
De Veluwe valt op door de combinatie van hoogteverschillen en afwisseling in begroeiing. Bossen liggen op de hogere, droge gronden. Heidevelden openen zich op andere plekken. In laagtes vind je vennen of beekdalen. Open zand duikt weer elders op. Dat patroon is niet toevallig. De ondergrond stuurt mee.
Rond Garderen en Ermelo merk je dat aan de lange, zachte hellingen. Bij Rheden en de Posbank zijn de hoogteverschillen duidelijker zichtbaar. In de buurt van Otterlo en Hoenderloo wisselen bos, heide en zand elkaar af op korte afstand. Bij Kootwijk komt daar het open stuifzand nog nadrukkelijk bij.
Sommige stuwwallen zijn in het verleden zelfs tegen elkaar aangedrukt. Zulke botsingen zijn in het terrein niet altijd voor iedereen direct leesbaar, maar op plekken als de Goudsberg bij Lunteren en de Zijpenberg bij Rheden is goed te zien dat de vorming van de Veluwe geen rustig proces was. IJs en bodem hebben hier letterlijk tegen elkaar in gewerkt.
Stuwwallen en natuur horen bij elkaar
De oude ruggen geven de Veluwe niet alleen hoogte. Ze zorgen ook voor verschillen in droogte, bodem en beschutting. Juist daardoor konden uiteenlopende leefgebieden ontstaan. Zonder die opgestuwde ondergrond zou de streek er heel anders uitzien.
Dat merk je sterk bij het Kootwijkerzand. Dit uitgestrekte stuifzandgebied ligt op de hoge, droge Veluwe en laat zien hoe wind en zand samen een landschap blijven vormen. Open zand, heide en bosranden liggen hier dicht bij elkaar. Voor veel planten en dieren maakt dat uit.
Op de Veluwe leven soorten die passen bij droge zandgronden en open terrein, naast dieren die juist dekking zoeken in bos. Edelherten en wilde zwijnen horen voor veel mensen bij het beeld van de streek. In heide en stuifzand leven weer andere soorten, zoals de blauwvleugelsprinkhaan en de kleine heivlinder. Zulke verschillen hangen samen met de afwisseling die de stuwwallen mogelijk maakten.
Ook voor wie minder op soorten let, is dat goed zichtbaar. In de nazomer kleuren heidevelden paars op de hellingen. Donkere bosranden tekenen zich daarachter af. Soms ligt even verderop een open zandvlakte. Dat samenspel van hoog en laag, open en dicht, maakt de Veluwe herkenbaar.
De Veluwe in Nederland
Nederland staat bekend als vlak land, maar op de Veluwe gaat dat beeld niet goed op. Hier ligt het grootste stuwwalcomplex van het land. Dat maakt de streek geologisch bijzonder, maar ook gewoon tastbaar anders voor iedereen die er wandelt, fietst of rijdt.
De Veluwe beslaat ongeveer 1000 vierkante kilometer. Een groot deel daarvan heeft bescherming als Natura 2000-gebied. Dat grote oppervlak is belangrijk. Het reliëf werkt hier niet als een losse heuvel in een verder vlak landschap, maar als een samenhangend systeem van hoogtes en laagtes over een groot gebied.
Daarom voelt de Veluwe ook niet aan als één bosgebied. Tussen Apeldoorn, Ede, Nunspeet, Putten, Ermelo, Otterlo, Hoenderloo en Rheden verandert het landschap steeds van karakter, terwijl de onderliggende opbouw verwant blijft. De stuwwallen zijn daarin de rode draad.
Gebruik en beheer van een oud landschap
De Veluwe is geen afgesloten natuurdecor. Mensen gebruiken het gebied al eeuwen, en dat zie je terug. Heidevelden zijn mede ontstaan door menselijk gebruik. Bossen zijn gekapt en later weer aangeplant. Paden, wegen en recreatie hebben het landschap toegankelijk gemaakt.
Tegelijk blijft het een kwetsbaar gebied. Beheerders als Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, Geldersch Landschap & Kasteelen, particuliere landgoederen en overheden proberen natuur, recreatie en rust met elkaar te verenigen. Dat levert soms spanning op. Wandelaars en fietsers willen ruimte. Natuurbeheer vraagt op sommige plekken juist om beperking van verstoring, zeker voor wild.
Die twee kanten bestaan naast elkaar. De Veluwe is voor veel mensen dichtbij en goed beleefbaar. Juist daarom zijn regels over loslopende honden, rustgebieden en tijdelijke afsluitingen geen bijzaak. Ze horen bij het gebruik van een landschap dat oud is, maar niet stil staat.
Wie de heuvels wil begrijpen, moet vooral kijken
Het verhaal van de stuwwallen klinkt al snel technisch. Toch is het buiten verrassend eenvoudig te zien. Let op hoe een weg langzaam omhoog trekt. Kijk waar heide op een flank ligt en bos in de luwte. Merk op hoe een dal zich opent aan de rand van een rug. Dan wordt duidelijk dat de Veluwe niet zomaar uit zand en bomen bestaat.
De heuvels rond Rheden, de bossen bij Hoenderloo, de heide bij Otterlo en het open zand bij Kootwijk horen allemaal bij dezelfde lange ontstaansgeschiedenis. Landijs gaf de eerste duw. Wind, water en menselijk gebruik werkten het landschap daarna verder uit.
Dat maakt de Veluwe niet alleen herkenbaar op de kaart, maar ook onder je voeten.
FAQ
Wat zijn stuwwallen?
Stuwwallen zijn heuvelruggen die ontstaan wanneer landijs bestaande lagen zand, grind en klei omhoogduwt.
Hoe zijn de stuwwallen op de Veluwe ontstaan?
Ze ontstonden in het Saalien, toen oprukkend landijs de bodem op de Veluwe opdrukte en vervormde.
Waar vind je stuwwallen op de Veluwe?
Op veel plekken, onder meer rond Rheden, Epe, Apeldoorn, Garderen, Ermelo, Otterlo, Hoenderloo, Kootwijk en Lunteren.
Wat is het hoogste punt van de Veluwe?
Dat is Signaal Imbosch bij Rheden, op 110 meter boven NAP.
Waarom oogt de Veluwe zo heuvelachtig?
Door de opgestuwde ruggen uit de ijstijd, en door latere invloed van wind, water en zandverplaatsing.
Wat is het verschil tussen een stuwwal en een morene?
Een stuwwal bestaat vooral uit lokaal bodemmateriaal dat is opgeduwd. Een morene bestaat uit materiaal dat door ijs is meegevoerd en afgezet.

Leave a Reply